2012

Kerken en kamelen in Lalibella

De laatste reis brengt ons naar Ethiopië. Bij het horen van de naam Ethiopië denken velen aan de hongersnood in het midden van de jaren ’80. Dat beeld is al tijden niet representatief meer. Er is nog wel droogte en mensen hebben het vaak niet breed, maar Ethiopië is een redelijk ontwikkeld land. Niet zozeer qua infrastructuur en behuizing, maar zeker wel in kennis en cultuur. De oudere generatie leeft heel traditioneel, waarbij het orthodoxe christelijke geloof een erg belangrijke rol speelt. En Ethiopiërs hechten heel veel waarde aan cultuur. Dat merken we tijdens het filmen ook. Men wil geen onjuist beeld geven van hun eigen cultuur en ze doen er alles aan om het op de juiste manier in beeld te krijgen. Het landschap is adembenemend. In het midden en noorden van het land bevindt zich een hoogvlakte, met prachtige vergezichten. Rivieren staan op dit moment bijna allemaal droog, over een maand begint het regenseizoen en zal alles weer vol water stromen. We bezoeken twee oude steden in dit gedeelte van het land. We vliegen vanaf de hoofdstad Addis Ababa naar Lalibela en later Axum. In Lalibela zijn elf kerken, die ieder uit één stuk uit de rotsen zijn gehakt. In Axum bevindt zich volgens overlevering de Ark des Verbonds, met daarin de stenen Tien Geboden. We gaan ook naar het platteland, waar het leven zo’n 2000 jaar stil lijkt te hebben gestaan (zie verderop).
De mensen in Ethiopië zijn een stuk toegankelijker dan in Congo. Hier beginnen mensen al direct te zwaaien als je met de auto voorbij rijdt. En ze lachen daarbij vriendelijk. Mensen willen graag een praatje met je maken. In de steden praat met goed verstaanbaar Engels, zelfs de jonge kinderen. En zij kennen alle Europese hoofdsteden uit hun hoofd! Maar als je naar de hoofdsteden van Afrikaanse landen vraagt, dan moeten ze vaak het antwoord schuldig blijven. Wonen de mensen in de stad, dan hebben ze over het algemeen een behoorlijk dak boven hun hoofd. Op het platteland is het echter heel anders, daar wonen veel mensen nog in lemen of stenen hutten met rieten daken, zogenaamde Tukuls. Als je zo’n Tukul binnenstapt heb je het idee dat je in de prehistorie terechtkomt. Elektriciteit is er zelden en koken doet men op een haardvuur. Hier heerst vaak armoede, maar mensen klagen niet en nemen het leven zoals het komt. Vervoer is er nauwelijks en daarom loopt men, soms vele kilometers, naar de markt in een stad. Soms met vele kilo’s handelswaar op hun rug. Wie het zich kan veroorloven heeft een ezel of muilezel om de lading te dragen. Je kunt dan ook niet anders dan respect voor deze mensen hebben en het zet je aan het denken over het leven in ons eigen land.

Dit was het einde van mijn verslag. Tijd om weer naar huis te gaan. Ik dank jullie voor het lezen en de leuke reacties! Graag tot een volgende keer.

Filmen in Lalibella













Vergane glorie aan de rand van het Kivu-meer

Na een vrij lange autorit vanaf Kigali in Rwanda arriveren we laat in de avond de grens met de Democratische Republiek Congo, zoals het land officieel heet. Er is een hoop gedoe aan de grens, omdat we twee paspoorten hebben, waarbij het visum van Rwanda in het ene en het visum voor Congo in het andere paspoort staat. Congo accepteert alleen een paspoort als daarin een uitreisstempel van Rwanda staat, maar dat staat in het andere paspoort, waar Congo niets mee kan. Na een hoop heen en weer-gedoe komt er uiteindelijk een simpele oplossing: de twee paspoorten worden aan elkaar geniet. Iedereen blij! Onze eerste verblijfplaats is Goma, een stad aan de voet van een nog actieve vulkaan, die in 2004 voor het laatst is uitgebarsten en vele slachtoffers heeft gemaakt. De stad was ook voor een groot deel verdwenen onder de lava en de gevolgen daarvan zijn nog steeds zichtbaar. De straten bestaan uit lavablokken, wat normaal rijden bijna onmogelijk maakt. Langs de weg staan veelal houten hutjes, die als huis of winkeltje dienen. En de straten zijn vol mensen, het is een drukte van belang. We worden niet overal even vriendelijk bejegend. Vooral als je een foto wilt maken reageren mensen vrij agressief. En de enige Engelse woorden die kinderen kunnen spreken zijn: “Give me money”. Geen idee hoe dat zo is ontstaan, maar prettig is het niet.
Op de flanken van de vulkaan houden de rebellen onder leiding van Bosco zich schuil. Zij vechten tegen het nationale leger van Congo en regelmatig zijn er conflicten. Zo werden de rebellen tijdens onze aanwezigheid nog gebombardeerd. Bosco wordt gezocht door het Internationaal Strafhof in Den Haag. Het schijnt dat hij bij de aanvallen ongedeerd is gebleven. Zelf hebben we niets gehoord van de bombardementen, hoewel het niet zo heel ver van ons vandaan was. Wel zijn door de gevechten veel mensen ontheemd. We ontmoeten een aantal vrouwen en kinderen, die in gammele hutjes onderdak vinden. Ze weten niet waar hun mannen zijn en één vrouw weet zelfs niet waar een van haar kinderen is. Een zeer trieste aanblik.
Na een paar dagen vertrekken we met een boot over het immens grote Lake Kivu-meer naar Bukavu, een grotere stad aan de zuidkant van het meer. Het is een vrij chaotische stad, met druk verkeer en veel mensen op straat. Je merkt ook dat de gevechten hun invloed hebben op het toerisme. Afgezien van werknemers van NGO’s en de UN zie je hier nauwelijks of geen blanke mensen. Ons hotel was eens prachtig, maar is nu vergane glorie. Er komt geen warm water uit de douche en als je wilt eten is het merendeel van de menukaart niet aanwezig. Als je drie flesjes cola besteld, is de kans groot dat er maar twee zijn. En niemand komt op het idee om er voor de volgende dag wat meer in te kopen.
Congo is een arm land. Het gemiddelde maandinkomen is ongeveer 100 dollar, maar velen verdienen minder. Men probeert op allerlei manieren om een inkomen te genereren. Veel mensen verkopen iets op de markt of gewoon langs de kant van de weg. Als je een paar bananen wilt kopen, stormen er zo zes of zeven vrouwen op je af die allemaal proberen hun bananen te slijten. Helaas kun je niet iedereen tevreden stellen. Na acht dagen is het al weer tijd om verder te gaan. We vliegen vanaf Kigali, dat is het dichtstbijzijnde internationale vliegveld. Vandaar naar Ethiopië, de laatste tussenstop van onze reis. Meer daarover volgende week!

Crewfoto met de rangers bij de gorilla's
















Het land van de 1000 heuvels

Rwanda is een totaal ander land dan Burkina Faso. Rwanda is heuvelachtig en groen. Het wordt het land van de 1000 heuvels genoemd en dat is niet overdreven. Het klimaat is ook een stuk aangenamer. De hitte is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een aangename temperatuur van net boven de 20 graden. Het is wel veel vochtiger, het is het einde van het regenseizoen en regelmatig valt er een fikse regenbui. De hoge vochtigheidsgraad merk je ook in het hotel, want de dekens van het bed voelen klam aan. We arriveren in het midden van de nacht en de straten van Kigali zijn geheel verlaten, je weet ’s ochtends eigenlijk pas waar je eigenlijk bent.
Rwanda is een erg schoon land. Het meest in het oog springende maatregel om het land schoon te houden is het verbod op plastic tassen. Het is zelfs verboden ze het land mee in te nemen. Als je iets koopt pakt men het in papier in. De straten zijn ook schoon, terwijl je toch nauwelijks vuilnisbakken tegenkomt. Het is ook geen goedkoop land. Rwanda heeft geen eigen grondstoffen als olie of gas en alles moet geïmporteerd worden. Dat maakt alles duur. En een groot deel van de bevolking is arm en kan nauwelijks het hoofd boven water houden. Geld voor een auto of motor hebben ze niet en dus lopen ze. Overal lopen mensen langs de rand van de weg. Ze leggen soms kilometers lange afstanden af. Dat dit heel veel tijd kost maakt niet zoveel uit. Tijd is ook maar een relatief begrip hier. Soms moet je uren wachten voordat er iets gebeurt. Dat maakt afspraken maken lastig en daar krijgen we bij het filmen ook mee te maken. Maar uiteindelijk is alles goed gekomen en hebben we bijzondere dingen meegemaakt.
Iedereen kent Rwanda van de ongeregeldheden van in 1994. De onderlinge strijd tussen de Tutsi’s en de Hutu’s is officieel ten einde, maar als je de mensen spreekt merk je dat er onderhuids nog steeds wat broeit. Zelfs jongeren die de strijd niet hebben meegemaakt hebben moeite met het accepteren van het andere volk. Op straat zelf kom je weinig meer tegen van de strijd. Alleen monumenten en herinneringsplaketten. We gaan naar één van die monumenten toe, een kerk buiten Kigali waar 10.000 Tutsi’s zich schuilhielden. Ze dachten veilig te zijn, maar ze werden allemaal afgemaakt. In de kerk liggen nog de stapels kleren van de slachtoffers en in de catacomben liggen de schedels en botten. Een erg aangrijpend aanzicht.
Gelukkig is er ook tijd voor plezierige momenten. Zoals de trip naar de gorilla’s in de jungle van Rwanda. Het is een van de belangrijkste inkomsten voor het land. Je loopt met een gids door de bergen, een dicht bamboebos door en tenslotte moet je achter de gids aan, die met een machete (kapmes) een smal pad door stekelige planten hakt om zo bij de gorilla’s te komen. Het regent pijpenstelen als we de gorilla’s ontdekken, maar het aanzicht doet alle nattigheid vergeten. Wauw!
Het is weer een bijzondere belevenis. Ik voel me rijk dat ik dit weer mag meemaken. Hopelijk is Congo, ons volgende reisdoel, ook weer zo interessant. Ik laat het jullie weten!Bananenplantage in Rwanda




















Rode stof en een olifant

Stof. Rode stof. Dat is wat je het meeste tegenkomt in het Afrikaanse land Burkina Faso. Overal waar je komt dringt de fijne rode stof tot diep in je kleren door. ’s Avonds, als je weer in je hotel of appartement bent, moet je de berg rode stof van je afdouchen. Burkina Faso is een van de armste landen in de wereld. En dat zie je overal om je heen. Niet zozeer in de hoofdstad Ouagadougou, maar ga je even buiten de stad dan zie je direct de voorbeelden van armoede. Mensen wonen in kleine dorpjes, meer gehuchtjes, in lemen hutjes met een rieten dak. In het land heerst een enorme droogte, en hier en daar is een waterput geslagen, waar men vaak van verre met een karretje met lege jerrycans, getrokken door een ezel, naar toe komt om voor het hele dorpje water te halen. Elektriciteit is er bijna niet en vaste telefoon kom je al helemaal nergens tegen. Maar ook hier is de mobiele telefonie inmiddels doorgedrongen, al hebben de meeste mensen geen geld om beltegoed te kopen. Men leeft hier gemiddeld van zo’n 2 dollar per dag. En leven is niet goedkoop. Voor diegenen die een auto hebben moeten rekenen op een benzineprijs van ongeveer een euro!.
Ik ben weer op reis voor het televisieprogramma Reisadvies Negatief, net als vorig jaar. In Burkina Faso behandelen we de situatie van gehandicapte kinderen. Die worden vaak verstoten en niet zelden gedood, meestal op een advies van een ‘wijze man’. Zo’n kind wordt dan letterlijk het bos ingestuurd en daar aan haar lot overgelaten.  Epilepsie wordt hier als besmettelijk beschouwd en kinderen die dit hebben, of blind zijn, worden gemeden. Maar ondanks de relatief zware omstandigheden zijn de mensen bijzonder vriendelijk en respectvol. Zo gaan we op bezoek bij een schooltje waar een klasje is van blinde kinderen. Bijna alle kinderen van de school komen in de pauze op je af om je een hand te geven of een respectvol gebaar naar je te maken.  Heel aandoenlijk. Voor mij is praten met de mensen vrij last. Men spreekt meestal een beetje Frans, maar ik spreek dat nauwelijks. Maar gelukkig hebben we een heel aardige tolk bij ons en zij is altijd bereid om voor mij te vertalen. Ook tijdens de lange autoritten over lange, rechte wegen die afwisselend asfalt of hobbelige gravelwegen zijn, kom ik via de vertaalster meer over het land te weten. Het is jammer om te constateren dan een arm land nog lang niet alle middelen gebruikt om meer inkomsten te genereren. We gaan speciaal naar een eco-toeristisch centrum, een soort Center Parcs zeg maar, omdat het enige vorm van welvaart zou hebben. Maar als we daar, na lang zoeken want bewegwijzering ontbreekt, aankomen mist het enige allure. De kamers en douches zijn vies en karig. Er was ons beloofd dat we laat nog konden eten, maar er we konden bijna niets meer bestellen. Hier ligt een kans, maar men weet nog niet met de mogelijkheden om te gaan.  En eerlijk gezegd vond ik de eenvoudige kamer in een missiepost een veel prettiger verblijf. Een kleine kamer met een bed en een douche met alleen koud water (wat niet erg is, want is geen enkele dag onder de 40 graden geweest), maar het oogt veel sympathieker. Dat het land ook z’n mooie kanten heeft bewijst het natuurgebied in het zuiden, waar we op olifantensafari gaan. Ik heb nog nooit zo dicht bij een wilde olifant gestaan en het laatste beeld van hen staat voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. De foto is het bewijs.
Dit was een hele speciale week voor mij. Het was mijn allereerste bezoek aan het vasteland van Afrika. Ik heb bijzondere dingen gezien en bijzondere momenten gehad die ik voor altijd zal koesteren. Nu ben ik op weg naar Rwanda, via Addis Ababa. Ik hoop volgende week weer een nieuw verhaal te kunnen sturen.Olifant in Burkina Faso




















Meer >>